Vraag hoeveel je in België moet sparen voor je pensioen en je krijgt een streefbedrag: €300.000, €500.000 of 85 keer je laatste maandsalaris. Dat is het makkelijke deel van het antwoord, en het is ook het deel dat je niet verder helpt. Een streefbedrag zegt niets over wat je op de 25e van de maand opzij moet zetten. Het gaat er ook vanuit dat je weet wat het Belgische pensioenstelsel je al gaat uitbetalen, en sinds 8 juni 2026 toont mypension.be dat bedrag voor de meeste mensen niet meer.

Dus hebben we de hele berekening zelf gemaakt. Dit artikel gaat uit van wat je elke maand wilt uitgeven, trekt daar het bedrag van af dat je al via het Belgische pensioenstelsel krijgt, zet het resterende bedrag om in een kapitaaldoelstelling en komt uiteindelijk uit op een maandelijks bedrag. Alle rendementen, kosten en opnametarieven die hieraan ten grondslag liggen, staan erbij, zodat je het oneens kunt zijn met onze aannames en de berekening zelf kunt herhalen met jouw eigen cijfers.

Hoeveel beleggen voor je pensioen, in het kort

Als je alle drie de officiële Belgische pensioenpijlers bij elkaar optelt voor een werknemer die er goed gebruik van heeft gemaakt, kom je uit op zo’n € 2.430 netto per maand. Wil je liever € 4.000 per maand, dan is het verschil ongeveer € 1.600 per maand. Om dat maandelijkse tekort van € 1.600 veilig te dichten, heb je zo’n € 700.000 aan belegd kapitaal nodig. Volgens de 4%-regel – die zegt dat je jaarlijks 4% van je startkapitaal kunt opnemen en dat het geld dan dertig jaar meegaat – kom je uit op € 480.000. Dertig jaar is niet lang genoeg voor een 66-jarige Belg, dus gaan we in plaats daarvan uit van 2,75% per jaar. Om op je 66e €700.000 te hebben opgebouwd, kost dat ongeveer €250 per maand als je op je 25e begint, en ongeveer €1.230 per maand als je op je 45e begint. Elk cijfer in deze alinea wordt hieronder uitgerekend, met de bijbehorende aannames.

Begin met wat je wilt uitgeven, niet met wat je verdient

Je pensioendoel is een uitgavencijfer, geen inkomenscijfer. De meeste mensen gaan uit van hun salaris: „Ik verdien nu € 3.500 netto, dus later heb ik ook zo’n € 3.500 nodig.” Dat is wel een ruwe indicatie, maar het is niet het juiste uitgangspunt, want je uitgaven tijdens je pensioen zijn niet hetzelfde als je uitgaven nu.

Sommige kosten verdwijnen als je 66 wordt, en andere komen erbij

Als je met pensioen gaat, hoef je niet meer te pendelen, hoef je geen pensioenpremies meer te betalen en heb je, voor veel mensen, geen hypotheek meer en wonen je kinderen niet meer thuis. Maar er komen wel kosten bij voor je vrije tijd. Reizen, hobby’s, dagjes uit, thuiszorg en uiteindelijk een verzorgingstehuis kosten allemaal geld, en je hebt meer uren om te vullen. Er is geen regel die zegt dat je veel minder nodig hebt dan toen je nog werkte.

Hoe dichter je bij je pensioen komt, hoe nauwkeuriger je schatting wordt. Op je 63e weet je meestal wel hoe je leven eruitziet. Op je 35e is het giswerk, dus kies een getal, schrijf je aanname op en bekijk het later nog eens.

Waar het geld van een Belgisch huishouden eigenlijk naartoe gaat

Huisvesting is veruit de grootste uitgavenpost in het budget van een Belgisch huishouden, en het is ook de post die het meest waarschijnlijk verandert als je stopt met werken. Volgens de Enquête naar het huishoudbudget 2024 van Statbel maken huisvesting, water, elektriciteit, gas en andere brandstoffen 30,6% uit van de uitgaven van een Belgisch huishouden. Voeding en alcoholvrije dranken volgen met 14,0%, daarna vervoer met 11,7%, vrije tijd en cultuur met 7,9%, en hotels, cafés en restaurants met 7,3%.

Gebruik dat als een checklist in plaats van als een streefdoel. Als je hypotheek op je 66e is afbetaald, wordt het grootste deel van je budget een stuk kleiner. Als je dan nog steeds huurt, is dat niet het geval en moet je bedrag hoger zijn. De vervoerskosten dalen als je niet meer hoeft te pendelen. Vrije tijd en uit eten gaan, samen iets meer dan 15% van het budget, zijn de twee posten die waarschijnlijk het meest zullen stijgen zodra je de tijd hebt om ervan te genieten.

Je doel ligt in de euro's van morgen, niet in die van vandaag

Door de inflatie lijkt elk doel op de lange termijn groter dan het in werkelijkheid is. Als je nu 50 bent en denkt dat je €4.000 per maand nodig hebt, heb je op je 66e ongeveer €5.500 per maand nodig om dezelfde dingen te kopen, bij een inflatie van 2% per jaar. Dat is geen afrondingsfout, en het wordt nog erger naarmate je jonger bent. Volgens onze eigen berekening, uitgaande van diezelfde 2%, wordt diezelfde € 4.000 per maand ongeveer € 9.000 per maand voor iemand die nu 25 is.

Dit is om één specifieke reden van belang. Het streefbedrag van €700.000 in dit artikel is gebaseerd op een tekort dat is berekend in de huidige euro’s, terwijl de maandelijkse bijdragen waarmee je dat bedrag opbouwt, worden berekend in de euro’s van elk toekomstig jaar. Als je pensioen nog veertig jaar weg is, moet je beide kanten van dat bedrag met de inflatie meerekenen. Beschouw €700.000 dus als het streefbedrag voor iemand die bijna met pensioen gaat en als een ondergrens voor iemand die net begint.

Wat je daadwerkelijk van het Belgische staatspensioen krijgt

Het Belgische staatspensioen is een maandelijks inkomen en geen spaarpot die je bezit, en wat je krijgt, hangt af van je arbeidsstatus, de duur van je loopbaan en wat je tijdens die periode hebt verdiend. De pensioenen van vandaag worden betaald uit de bijdragen en belastingen van de huidige werknemers. Ambtenaren, werknemers in loondienst en zelfstandigen bouwen hun pensioen op verschillende manieren op, waardoor de bedragen sterk verschillen.

Er zijn vier pijlers, en jij kiest er maar één uit

In België bestaat het pensioen uit vier lagen.

  1. Het staatspensioen, de eerste pijler, wordt door de overheid betaald.
  2. Het bedrijfspensioen, de tweede pijler, wordt via je werkgever opgebouwd in de vorm van een collectieve verzekering of een pensioenfonds. Voor zelfstandigen zijn dat de VAPZ en de IPT.
  3. Pensioensparen met belastingvoordeel, de derde pijler, die je zelf regelt bij een bank of verzekeraar.
  4. Alles wat je daarop bouwt, dat is de vierde pijler. Hier vind je je eigen beleggingsportefeuille.

Alleen over de vierde pijler kun je helemaal zelf beslissen. De eerste kun je verhogen door meer te verdienen, de tweede wordt grotendeels bepaald door je werkgever en de derde is wettelijk gemaximeerd. Hoeveel je in de vierde pijler stort, is een keuze die je elke maand maakt. Daarom houdt de berekening in dit artikel daar op. Voor een uitgebreider overzicht van de berekening van de eerste pijler hebben we een aparte gids geschreven over hoe hoog je Belgische pensioen zal zijn.

mypension.be laat vanaf juni 2026 voor de meeste mensen geen schatting meer zien

Sinds 8 juni 2026 toont mypension.be voor de meeste Belgen geen schatting meer van je vroegst mogelijke pensioendatum of je pensioenbedrag. De Federale Pensioendienst legde uit waarom in haar persbericht van 29 mei 2026, nadat de pensioenhervorming door het federale parlement was aangenomen. De nieuwe regels gaan in op 1 januari 2027, en de bestaande schattingen waren nog gebaseerd op de oude regels.

De scheidslijn is je pensioendatum, niet je leeftijd. Als je uiterlijk op 1 januari 2027 met pensioen kunt gaan, worden je pensioendatum en -bedrag nog volgens de oude regels berekend, dus zie je je schatting nog steeds. Als je pas na 1 januari 2027 met pensioen kunt gaan, wordt je pensioen volgens de nieuwe regels berekend en is je schatting op 8 juni 2026 verdwenen.

De Federale Pensioendienst heeft een tijdschema gepubliceerd voor de invoering ervan. De vroegste pensioendatum volgens de nieuwe wet is in het najaar van 2026, de vroegste datum zonder malus is eind 2026, je daadwerkelijke pensioenbedragen krijg je in de tweede helft van 2027 te zien en de simulaties zijn eind 2027 beschikbaar.

Dit is goed om te weten voordat je het advies van iemand opvolgt om „het gewoon even op mypension.be op te zoeken“. Voor de meeste mensen staat het bedrag daar op dit moment namelijk niet vermeld.

In de tussentijd zijn er twee dingen die daarvoor in de plaats komen. Het eerste is het gemiddelde, dat afhangt van de status waaronder je hebt gewerkt. Volgens de cijfers over gepensioneerden van Pensionstat.be, het federale portaal voor pensioenstatistieken, bedroeg het gemiddelde staatspensioen in 2026:

StatusBruto per maandNetto per maand
Ambtenaar€3,588€2,521
Werknemer€1,749€1,565
Zelfstandige€1,285€1,231

Het gemiddelde nettopensioen van een ambtenaar is meer dan het dubbele van dat van een zelfstandige. Het gemiddelde voor een werknemer bedraagt € 1.565 netto per maand; dit is het staatspensioen waarop de berekening in dit artikel is gebaseerd. Daarnaast is er onze Belgische pensioencalculator, die je een schatting geeft van je eigen staatspensioen op basis van je leeftijd, de leeftijd waarop je bent begonnen met werken en je startsalaris en eindsalaris.

Kun je nog steeds rekenen op een staatspensioen?

Ja, en je moet voorzichtig zijn met het bedrag. De eerste pijler staat onder druk omdat België vergrijst: de babyboomers gaan massaal met pensioen, mensen leven langer en er komen minder jonge werknemers voor in de plaats, waardoor het aantal werkenden per gepensioneerde steeds verder daalt. Pensioenen nemen een steeds groter deel van de federale begroting in beslag; elke regering probeert ze te hervormen, en toekomstige regeringen zullen dat waarschijnlijk ook doen. Die druk is wat mensen bedoelen met de Belgische pensioencrisis.

Dat betekent niet dat het staatspensioen verdwijnt. Daarvoor is het politiek en maatschappelijk veel te belangrijk. Het betekent wel dat, als je nu jong bent, het bedrag, de pensioenleeftijd en de voorwaarden allemaal nog kunnen veranderen, dus houd bij je planning rekening met een bedrag waarbij je het niet erg vindt als je ernaast zit.

Daarin zit ook echt een geruststellend aspect. De Belgische staatspensioenen worden geïndexeerd, dus ze volgen grotendeels de inflatie, wat je koopkracht veel beter beschermt dan een vast bedrag dat nooit verandert. Indexering maakt je echter niet rijker. Het zorgt ervoor dat je minder snel armer wordt. Aandelen en vastgoed stijgen doorgaans sneller in waarde dan de pensioenindexatie over de loop van tientallen jaren, dus iemand die belegt, groeit mee met die stijging, en iemand die dat niet doet, blijft afhankelijk van wat de overheid zich later kan veroorloven om uit te betalen.

Freelancers en zelfstandigen dragen hier zelf een groter deel van

Het gemiddelde wettelijke pensioen van een zelfstandige in België ligt lager dan dat van een werknemer of ambtenaar, waardoor de vierde pijler juist belangrijker wordt, niet minder. Sommige ondernemers kunnen hun bedrijf uiteindelijk verkopen, maar velen kunnen dat niet: een consultant, een arts, een journalist of een freelancer heeft vaak geen bedrijf dat veel waard is als hij er zelf niet bij betrokken is. Belastingvoordelen zijn de moeite waard, maar ze zijn geen reden om een duur product te accepteren. Als je zelfstandige bent, is de regel dat je niet op één pijler moet vertrouwen. We hebben een uitgebreider artikel geschreven over hoe Belgische freelancers op hun eigen voorwaarden met pensioen kunnen gaan.

Je tweede pijler is kleiner dan het gemiddelde doet vermoeden

Het gemiddelde Belgische bedrijfspensioen is vijf keer zo hoog als de mediaan, dus het gemiddelde is voor bijna niemand van toepassing. Uit het rapport van de FSMA van april 2025 over aanvullende pensioenen voor werknemers blijkt dat de gemiddelde opgebouwde reserve in een bedrijfspensioenregeling op 1 januari 2024 € 28.748 bedroeg, en de mediaan € 5.660. Een kleine groep hogere kaderleden en bedrijfsleiders trekt het gemiddelde omhoog. De helft van alle deelnemers zit onder de € 5.660.

Het gemiddelde verhult de mediaan, en het verschil is enorm

Op elk detailniveau in de cijfers van de FSMA zie je hetzelfde verschil tussen het gemiddelde en de mediaan.

Bedrijfspensioenregelingen, 1 januari 2024GemiddeldMediaan
Alle partners€28,748€5,660
55 tot 64 jaar€72,711€18,471
Vrouwen van 55 tot en met 64 jaar€48,867€10,742
Mannen van 55 tot en met 64 jaar€91,000€26,524

Een vrouw die bijna met pensioen gaat en deelneemt aan een Belgisch bedrijfspensioenplan, heeft een mediaanreserve van € 10.742. Haar mannelijke tegenhanger heeft € 26.524. Het gemiddelde bedrag dat in 2024 daadwerkelijk bij pensionering werd uitbetaald, bedroeg € 47.346, verdeeld over 73.779 uitkeringen.

Sectorbrede regelingen vallen weer wat kleiner uit: een gemiddelde reserve van € 2.437 en een mediaan van € 854. Ongeveer 2,57 miljoen werknemers zitten in een sectorregeling en 2,33 miljoen in een bedrijfsregeling, en heel wat mensen zitten in beide, dus er is geen eenduidig cijfer dat aangeeft wat iemand precies zal krijgen. De veilige conclusie is de richting, niet zozeer het bedrag. Voor de meeste Belgen is de tweede pijler een eenmalig extra potje, geen tweede maandelijks inkomen, dus een pensioenregeling via je werkgever maakt het opbouwen van een vierde pijler zelden overbodig.

Een mediaanreserve is makkelijker in te schatten als maandelijks bedrag. Verspreid over de achttien jaar die een gemiddelde 66-jarige nog te gaan heeft, komt de mediaan van € 5.660 voor alle aangeslotenen neer op zo’n € 26 per maand. De mediaan voor een vrouw van 55 tot 64 jaar komt uit op ongeveer € 50 per maand, en voor een man op ongeveer € 123. Dat is onze eigen berekening, en dat is precies de reden waarom de tweede pijler geen vervanging is voor een salaris.

Pensioensparen levert een belastingvoordeel op, maar op je 60e moet je 8% betalen

De derde pijler is pensioensparen, dat je zelf bij een bank of verzekeraar afsluit. Het is misleidend om dit ‘sparen’ te noemen, want bij een pensioenspaarregeling wordt je geld belegd en draag je de risico’s die bij beleggen horen.

Vier cijfers geven een beeld van de hele situatie in 2026:

  • € 1.350 is het maximale bedrag dat je per jaar kunt inleggen.
  • 25% of 30% van je bijdrage krijg je terug in de vorm van belastingvermindering, afhankelijk van in welke van de twee schijven je valt.
  • Als je het maximumbedrag van € 1.350 inlegt, krijg je € 337,50 terug.
  • Op je 60e verjaardag gaat 8% van je spaargeld naar de staat, als eindbelasting.

Die belastingvoordelen zijn het hele verkoopargument, en banken en verzekeraars zetten het in de etalage.

Wat minder vaak ter sprake komt, is dat laatste punt. Door de eindheffing gaat een deel van het eerdere belastingvoordeel weer terug naar de overheid. Dat maakt pensioensparen niet slecht. Het betekent wel dat de echte vraag niet is wat je elk jaar terugkrijgt, maar wat je uiteindelijk overhoudt. ETF’s versus Belgisch pensioensparen geeft direct antwoord op die vraag. We behandelen de regeling in onze gids over Belgisch pensioensparen en de heffingen in het artikel over hoe Belgisch pensioensparen wordt belast. Onze pensioenspaarsimulator rekent het uit op basis van echte Belgische fondsen, als je wilt zien wat jouw eigen plan waarschijnlijk zal opleveren.

Tel die pijlers bij elkaar op, en het verschil is het bedrag dat je moet investeren

Het bedrag dat je echt nodig hebt, is het verschil tussen wat je wilt uitgeven en wat er automatisch binnenkomt. Dat zie je pas als je alle drie de officiële pijlers bij elkaar optelt, en dat is precies de stap die de meeste Belgische pensioensites overslaan.

De drie pijlers van Jan komen neer op € 2.430 netto per maand

De drie officiële pijlers van Jan komen neer op zo’n € 2.430 netto per maand. Hij is in loondienst en gaat op zijn 66e met pensioen, en elk van zijn drie bedragen komt ergens vandaan:

  1. Een netto staatspensioen van zo’n € 1.500 per maand. Dat is het gemiddelde voor 2026 voor een werknemer: € 1.565 netto, naar beneden afgerond.
  2. Een bedrijfspensioen van €71.000. Dat ligt dicht bij het FSMA-gemiddelde voor iemand van 55 tot 64 jaar in een bedrijfspensioenregeling, en is ongeveer vier keer zo hoog als de mediaan, dus Jan doet het hier beter dan de meeste mensen.
  3. Een pensioenspaarpot van € 130.000. Vanaf zijn 25e stortte hij elk jaar € 1.050 in, wat neerkomt op zo’n € 43.000. Het bedrag in de pot gaat er dus vanuit dat zijn pensioenfonds dat geld ongeveer verdrievoudigd heeft, wat neerkomt op iets minder dan 5% per jaar na aftrek van de eigen kosten van het fonds.

De tweede en derde pijler zijn meer spaarpotten dan maandelijkse inkomsten, dus die moeten je over een langere periode verdelen. Samen komen ze uit op € 201.000. Jan is 66 en heeft nog achttien jaar te leven; als je die € 201.000 over die 216 maanden verdeelt, komt dat neer op ongeveer € 930 per maand. Tel daar zijn staatspensioen van € 1.500 bij op, en dan kom je uit op zo’n € 2.430 netto per maand.

Al die bedragen zijn eerder gunstige voorbeelden dan typische gevallen. Die €930 verdeelt zijn twee potjes ook over een gemiddelde levensduur: als Jan 96 wordt, levert diezelfde €201.000 hem in plaats daarvan zo’n €560 per maand op. Toch is €2.430 een stuk minder dan wat de meeste mensen gewend zijn aan het einde van hun carrière, als hun salaris het hoogst is.

Het tekort is 1.600 euro per maand, en dat is het bedrag dat je moet investeren

Jan heeft een tekort van zo’n € 1.600 per maand, en dat is het bedrag waar de rest van dit artikel op uitgaat. Hij wil € 4.000 per maand als hij met pensioen gaat, zijn drie pijlers leveren zo’n € 2.430 op, en het verschil moet uit zijn eigen beleggingsportefeuille komen.

Elke maand een deel van je portefeuille verkopen klinkt simpel. Maar het brengt een risico met zich mee dat er niet is zolang je nog geld inlegt: het volgordarisico. Wat dan telt, is niet alleen je gemiddelde rendement, maar ook de volgorde waarin die rendementen binnenkomen. Een beurscrash op je 35e is vervelend, maar je blijft werken en blijven kopen. Een crash op je 67e, net als je begint te verkopen om van te leven, richt blijvende schade aan, want de euro’s die je tegen lage prijzen verkoopt, zijn weg en kunnen niet meeprofiteren van het herstel. In het ergste geval raakt je portefeuille leeg terwijl je nog leeft.

Hoeveel kapitaal is er nodig om een maandelijks tekort van € 1.600 te dichten?

Om een maandelijks tekort van € 1.600 veilig op te vangen, heb je ongeveer € 700.000 nodig, en niet de € 480.000 die de 4%-regel aangeeft. Een maandelijkse aanvulling van € 1.600 komt neer op € 19.200 per jaar. Bij 4% betekent dat een startkapitaal van € 480.000. Bij € 700.000 komt diezelfde € 19.200 neer op een opnamegraad van ongeveer 2,75%, en dat houdt stand in historische scenario’s waarin € 480.000 het niet redt.

De 4%-regel is een uitgangspunt, geen definitief antwoord

De 4%-regel is bedacht voor een ander soort belegger, dus het hoort in je plan thuis als uitgangspunt en niet als definitief antwoord. De regel is afkomstig uit Amerikaans onderzoek uit de jaren negentig, een artikel van Philip Cooley, Carl Hubbard en Daniel Walz in het AAII Journal van februari 1998, ook wel bekend als de Trinity-studie. Daarin wordt gesteld dat je elk jaar 4% van je startkapitaal kunt opnemen, met een grote kans dat het geld minstens dertig jaar meegaat.

Eenvoudig is niet hetzelfde als universeel geldig. Het onderzoek is gebaseerd op historische Amerikaanse rendementen, één specifieke periode en een pensioenperiode van dertig jaar, terwijl mensen steeds langer leven. Belgische beleggers hebben bovendien te maken met andere belastingen, andere pensioenpijlers en portefeuilles die meestal wereldwijd zijn samengesteld in plaats van Amerikaans. Beschouw 4% als een ruwe richtlijn en het is nuttig. Beschouw het als een regel en het is gevaarlijk. In ons artikel over FIRE in België gaan we dieper in op waar de 4%-regel wel en niet opgaat.

Dezelfde beleggingsportefeuille, twee pensioendata, twee verschillende uitkomsten

Geef Jan €320.000 in een defensieve portefeuille van 30% aandelen en 70% obligaties, laat hem €1.600 per maand opnemen, en de datum waarop hij met pensioen gaat, bepaalt het resultaat. We hebben beide scenario’s met onze Backtest-tool getest op basis van echte historische gegevens.

Met pensioen gaan in maart 2008, midden in de financiële crisis, pakt goed uit. Zijn obligaties vangen de eerste klap op, er volgt een lange stijgingsperiode, de portefeuille stijgt eerst naar zo’n € 370.000 en op het moment dat hij naar verwachting overlijdt, blijft er ongeveer € 175.000 over.

Met pensioen gaan in oktober 2000, vlak voor de dotcom-crash, is geen goed idee. Er volgen twee zware beursperiodes kort na elkaar: eerst de dotcom-crisis en daarna de financiële crisis, en na 14,5 jaar is de portefeuille helemaal leeg. Op zijn 80e is hij volledig aangewezen op zijn staatspensioen.

Jan kan niet kiezen in welk scenario hij terechtkomt, en jij ook niet. Je pensioenregeling moet ook onder slechte omstandigheden goed werken, niet alleen onder gemiddelde omstandigheden.

Pas de € 480.000 van de 4%-regel toe op dezelfde twee scenario’s en in het ongunstigste geval raakt je portefeuille nog steeds leeg, op je 91e in plaats van op je 80e. Dat is beter, maar het stelt je niet gerust, want heel veel mensen worden ouder dan 91. Het grootste financiële risico tijdens je pensioen is niet dat je portefeuille tijdelijk in waarde daalt. Het is dat je geld opraakt terwijl je nog leeft.

Ga er in je plan van uit dat je ouder wordt dan 90

De levensverwachting op je 66e is hoger dan de meeste mensen denken. Volgens de levensverwachtingstabellen van Statbel voor 2025 heeft een 66-jarige man nog 18,5 jaar te gaan en een vrouw nog 21,2 jaar, dus het gemiddelde ligt ergens halverwege tot eind tachtig. De spreiding rond dat gemiddelde is groot: 36% van de 66-jarigen wordt 90 en ongeveer één op de tien wordt 96, volgens onze eigen berekeningen op basis van de overlevingscijfers in diezelfde tabellen. Je wilt niet plannen alsof je 84 wordt en dan gezond op je 97e aankomt zonder inkomen. Plannen voor een lang leven is wat het opnametarief omlaag drukt van 4% naar iets dichter bij 2,75%.

Hoeveel kapitaal heb je nodig voor het inkomen dat je wilt?

Je kapitaaldoel is je maandelijkse tekort vermenigvuldigd met twaalf, gedeeld door het opnametarief dat je realistisch acht. De onderstaande tabel is onze eigen berekening op basis van het voorzichtige percentage van 2,75% waarmee dit artikel werkt.

Het maandinkomen dat je uit je beleggingsportefeuille wilt halenKapitaal tegen 2,75%
€1,000€436,000
€1,500€655,000
€1,600€698,000
€2,000€873,000
€2,500€1,091,000

Twee dingen om in gedachten te houden als je dit gebruikt. Dit zijn bedragen in de huidige euro’s, dus een doel voor over veertig jaar moet je met de inflatie meerekenen. En dat lagere opnamepercentage heeft een specifiek voordeel: het plan werkt nog steeds als je toevallig in oktober 2000 met pensioen gaat in plaats van in maart 2008.

Hoeveel moet je in cash houden, en hoeveel moet je beleggen?

Je cashbuffer moet genoeg zijn voor één tot twee jaar aan geplande opnames, en niet meer dan dat. Op langere termijn verliest een Belgische spaarrekening zo goed als zeker terrein aan de inflatie, waardoor het daar aanhouden van je pensioengeld een risico is, en niet de veilige keuze.

Een buffer voor opnames van één tot twee jaar

De eenvoudigste bescherming tegen sequentierisico is een buffer. Zet kort voor je met pensioen gaat één tot twee jaar aan geplande opnames over naar een spaarrekening, een termijndeposito, een kortlopende obligatie of een geldmarktinstrument. In een slecht jaar op de markten leef je van die buffer in plaats van aandelen tegen lage prijzen te verkopen, en vul je hem weer aan zodra de koersen zich herstellen.

Dat is wiskundig gezien niet altijd optimaal, maar in de praktijk helpt het enorm. Het levert je tijd op, en tijd is meestal precies wat je nodig hebt tijdens een beurscrash. Daarnaast zijn er nog vier andere gewoontes die je pensioenportefeuille beschermen: wees voorzichtig met je opnametempo, blijf flexibel over het bedrag dat je opneemt, dek je essentiële kosten met een stabiel inkomen, en maak je hele portefeuille niet te vroeg defensief, zodat deze nog kan groeien.

Wat er sinds 1996 met €100 op een spaarrekening is gebeurd

Neem €100 uit 1996 en volg het geld dertig jaar lang. Onder je matras zorgt de inflatie ervoor dat de koopkracht daalt tot €51. Op een spaarrekening houd je dankzij de rente €74 over, dus zelfs met rente ben je in dertig jaar bijna een derde van je koopkracht kwijtgeraakt. Als je het had belegd in een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille, was het gegroeid tot €485, waardoor de koopkracht meer dan verdrievoudigd is. Die drie cijfers komen uit onze eigen Backtest-tool, waarbij we de Belgische inflatie en de spaarrentes hebben gebruikt die Belgische banken daadwerkelijk hebben uitbetaald.

De Belgische spaarrente heeft de afgelopen twee decennia bijna altijd het afleggen gehad tegen de inflatie. Tussen januari 2003 en december 2025 lag de Belgische inflatie in 232 van de 276 maanden hoger dan de rente op Belgische spaarrekeningen, oftewel 84,1% van de tijd. Over die 23 jaar bedroeg de spaarrente gemiddeld 0,83% per jaar en de inflatie gemiddeld 2,45%. Dat hebben we zelf berekend op basis van twee primaire reeksen: de MIR-statistieken van de Nationale Bank van België over wat Belgische banken daadwerkelijk uitbetalen op spaarrekeningen, en de geharmoniseerde index van de consumentenprijzen van Eurostat voor België. In juni 2026 stond de spaarrente op 0,68%. Op het hoogtepunt in oktober 2022 bereikte de Belgische inflatie 13,1%, terwijl de spaarrente nauwelijks veranderde.

Niet beleggen voelt veilig. Je geld twintig of dertig jaar op een spaarrekening laten staan is ook een risico, namelijk dat je koopkracht stilletjes verdampt. We vergelijken deze twee opties rechtstreeks: sparen versus beleggen. En als je toch het beste rendement voor je financiële buffer wilt, hebben we een lijst met de beste spaarrekeningen in België.

Hoeveel moet je elke maand inleggen om dat doel te halen?

Een doel van €700.000 is haalbaar met een paar honderd euro per maand als je jong begint, want het grootste deel van het eindbedrag bestaat uit rendement en niet uit inleg. Bedragen als €700.000 of €800.000 klinken intimiderend, totdat je ze opsplitst in wat je zelf inlegt en wat de markt eraan toevoegt.

Ezra's ontwikkeling, decennium voor decennium

200 euro per maand op je 23e, vier keer verhoogd, wordt 889.367 euro als je 66 bent. Ezra is 23, is net afgestudeerd en begint aan haar eerste baan, en van haar 23e tot haar 35e belegt ze 200 euro per maand in een portefeuille die voor 100% uit aandelen bestaat.

  • Op haar 35e is ze getrouwd, heeft ze jonge kinderen en verdient ze meer. Ze verhoogt haar inleg naar €500 per maand en schakelt over naar 80% aandelen en 20% obligaties.
  • Op haar 45e legt ze elke maand €600 opzij en past ze haar beleggingsmix aan naar 60% aandelen en 40% obligaties.
  • Op haar 55e zijn de kinderen grotendeels zelfstandig. Ze kan elke maand € 800 opzij zetten en schakelt over naar een portefeuille van 40% aandelen en 60% obligaties.

Op haar 66e heeft Ezra € 889.367 opgebouwd. Daarvan heeft ze zelf € 266.400 ingelegd. De overige € 622.967 is rendement. Deze cijfers zijn gebaseerd op het gemiddelde jaarlijkse rendement van elk van die portefeuilles in de periode 1994 tot en met 2026, en in onze gids voor het samenstellen van een ETF-portefeuille lees je hoe je die samenstellingen kunt opbouwen.

Twee dingen die dat pad niet laat zien. Het echte leven verloopt nooit in een vloeiende lijn: er zullen tegenslagen zijn, slechte jaren en gebeurtenissen waar niemand op gerekend had, dus het eindpunt kan wel binnen hetzelfde bereik vallen, terwijl de reis zelf een stuk rommeliger aanvoelt. En dit zijn nominale bedragen, geen koopkracht.

Wat is € 889.367 op je 66e waard in geld van nu?

Ongeveer € 380.000. Dat is onze eigen berekening: € 889.367, verdisconteerd met 2% inflatie per jaar over de 43 jaar van 23 tot 66, komt uit op € 379.554.

Zie dat maar als de eerlijke versie van elk groot pensioendoel dat je wel eens ziet genoemd worden. Het werkt ook de andere kant op, want Ezra’s salaris stijgt waarschijnlijk ook mee met de inflatie, dus die €800 per maand die ze op haar 55e opzij zet, is toen makkelijker voor haar dan €800 nu klinkt. Bij een opnamegraad van 3% levert € 889.367 ongeveer € 2.220 per maand op in de euro’s van dat jaar; ook dit is weer onze berekening en geen cijfer dat we zomaar noemen.

Hoeveel moet je elke maand opzij zetten, afhankelijk van de leeftijd waarop je begint

Om op je 66e €700.000 te hebben, kost het je ongeveer €250 per maand als je op je 25e begint, en ongeveer €3.540 per maand als je op je 55e begint. De onderstaande tabel is onze eigen berekening, waarbij we uitgaan van een nominaal rendement van 7% per jaar en maandelijkse inleg.

Leeftijd waarop je begintMaandelijks bedrag voor €700.000 op je 66e
25€250
35€530
45€1,230
55€3,540

Die sprong van €250 naar €3.540 is precies de reden waarom je vroeg moet beginnen, en het is ook de reden waarom de tabel geen definitief oordeel is. Het bedrag wordt opgebouwd in nominale euro’s, terwijl het doel van €700.000 is vastgesteld in de huidige euro’s. Dus als je op je 25e begint, moet je hoger mikken dan €700.000, en als je op je 55e begint, zit je dichter bij het realistische bedrag. Ons artikel over hoeveel je elke maand moet beleggen, benadert dezelfde vraag vanuit de andere kant: je begint bij je inkomen in plaats van bij je doel.

Als het bedrag vandaag niet haalbaar is, verhoog het dan later

Niet iedereen begint al op zijn 23e met beleggen, en als je op je 45e begint, heb je nog steeds meer dan twintig jaar te gaan tot de wettelijke pensioenleeftijd. Zelfs als je pas na je 55e begint, bouw je nog steeds echt vermogen op en profiteer je nog steeds van samengestelde groei. Je zult er wel harder voor moeten werken, door elke maand meer opzij te zetten, minder uit te geven, je inkomen te verhogen of langer door te werken.

Langer doorwerken klinkt voor sommige mensen niet zo aantrekkelijk, en heel wat 66-jarigen voelen zich nog niet klaar om helemaal te stoppen. De wettelijke pensioenleeftijd is gewoon een administratieve grens, geen natuurwet, en door door te werken help je je pensioenregeling op drie manieren tegelijk: je bouwt langer kapitaal op, je leeft minder lang van je pensioenvermogen en je staatspensioen kan hoger uitvallen.

De andere manier is om het bedrag te verhogen telkens als je inkomen stijgt. Iemand die vanaf zijn 25e €200 per maand inlegt en dat op zijn 35e verhoogt naar €300, op zijn 45e naar €400 en op zijn 55e naar €500, heeft op zijn 65e ongeveer €185.000 meer dan iemand die altijd bij €200 blijft, uitgaande van een gemiddeld rendement van 7%. Dat is 75% meer ingelegd geld voor 37% meer vermogen, wat laat zien dat de euro’s die je vroeg inlegt harder werken en dat de euro’s die je later inlegt ook nog steeds meetellen. Gisteren was de beste dag om te beginnen. Vandaag is de op één na beste.

Waarom het maandbedrag lager kan zijn dan je verwacht

Samengestelde groei is de reden waarom een paar honderd euro per maand kan uitgroeien tot honderdduizenden. Als je €100 belegt tegen 10% per jaar, heb je na een jaar €110. Het jaar daarop verdien je 10% over €110 in plaats van €100, dus je verdient €11 en komt uit op €121.

Het effect lijkt in eerste instantie klein, omdat onze hersenen in rechte lijnen denken. Laat die €100 veertig jaar staan, van je 25e tot je 65e, en het groeit uit tot €4.526. Alleen al in jaar 40 levert het €411 op, wat meer dan vier keer de oorspronkelijke €100 is en meer dan de hele positie na veertien jaar waard was. Het verschil tussen stoppen na vijftien jaar en veertig jaar volhouden is enorm. Geen enkele belegging levert elk jaar keurig 10% op, dus zie dit meer als een illustratie van hoe samengestelde rente werkt dan als een voorspelling. We leggen het mechanisme uit in samengestelde rente, en waarom regelmatige maandelijkse inleg hier goed bij past in periodiek beleggen.

Warren Buffett heeft meer dan 99% van zijn vermogen opgebouwd nadat hij de 50 was gepasseerd, wat heel duidelijk laat zien dat de laatste decennia het meeste werk doen.

Het moeilijkste is om het maandbedrag te kiezen. Maar het daadwerkelijk elke maand overmaken naar een beleggingsportefeuille waar je nooit meer naar hoeft om te kijken, dat is waar de meeste pensioenregelingen stilletjes ophouden.

Dat is precies wat Curvo voor je doet. Je beantwoordt een paar vragen, krijgt een portefeuille met indexfondsen die is afgestemd op je beleggingshorizon en je risicobereidheid, en je stelt een automatische incasso in, zodat het door jou gekozen bedrag van je rekening wordt afgeschreven en wordt belegd zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Het herwegen van de portefeuille, de belastingen en het papierwerk worden allemaal voor je geregeld, en je kunt het bedrag aanpassen of op elk moment stoppen. Je kunt al beginnen vanaf € 50 per maand.

Onze vergoeding bedraagt 1% per jaar over de eerste €50.000, 0,85% over het deel tussen €50.000 en €100.000, 0,70% over het deel tussen €100.000 en €250.000, en 0,60% daarboven. De eigen kosten van de fondsen, tussen 0,06% en 0,25%, worden uit het rendement van het fonds gehaald in plaats van er bovenop in rekening te worden gebracht. Om eerlijk te zijn: een doe-het-zelf-broker is goedkoper, en als je het prima vindt om zelf je ETF’s uit te kiezen, ze te herwegen en de Belgische belastingen zelf te regelen, dan kun je dat beter doen. Curvo is voor mensen die liever hebben dat het plan gewoon zijn gang gaat.

Het rendement dat we verwachten, en waar je dat kunt controleren

De hele berekening is gebaseerd op één aanname: een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille levert over een periode van tientallen jaren gemiddeld zo’n 8% per jaar op. Het specifieke cijfer is 8,2% per jaar sinds 1994, voor de MSCI All Country World Investable Market-index, die grote, middelgrote en kleine bedrijven in zowel ontwikkelde als opkomende markten omvat. De onderstaande grafiek toont die index in onze eigen Backtest-tool, zodat je het cijfer zelf kunt controleren in plaats van het zomaar voor waar aan te nemen.

Dat is een verwacht rendement, gebaseerd op historische gegevens en redelijke aannames, en zeker geen garantie. De toekomst kan anders uitpakken dan het verleden, en een pensioenregeling die alleen werkt als dat niet gebeurt, moet worden herzien met een lager cijfer.

Nominaal of reëel, en waarom dat belangrijk is voor je streefbedrag

Bij het nominale rendement wordt geen rekening gehouden met inflatie. Bij het reële rendement wordt daar wel rekening mee gehouden. Bij een inflatie van 2% verliest een spaarrekening met een nominaal rendement van 1% ongeveer 1% van zijn koopkracht per jaar, en een belegging met een nominaal rendement van 7% levert een reëel rendement op van ongeveer 5%.

Dit onderscheid bepaalt welk bedrag in je plan thuishoort. Onze tabel met maandelijkse inleg gaat uit van een nominaal rendement van 7%, omdat zowel de inleg als het eindbedrag worden berekend in de euro’s van het betreffende jaar. Als je liever helemaal in de euro’s van vandaag werkt, trek dan de inflatie af van het rendement en laat je streefbedrag zoals het is. Wat je vooral niet moet doen, is die twee door elkaar halen. Dat is namelijk hoe mensen uiteindelijk een streefbedrag nastreven dat er groot uitziet, maar waarmee ze minder kunnen kopen dan ze denken.

Hoe vaak heeft een wereldindex daadwerkelijk geld verloren?

Als je op een willekeurig moment tussen 1970 en nu een wereldindex koopt en die precies een jaar later weer verkoopt, eindig je in ongeveer 26% van de gevallen met verlies. Bij een beleggingsperiode van vijf jaar daalde de kans op verlies tot ongeveer 17%. Over een periode van twintig jaar was er in de hele geschiedenis van de index geen enkele startdatum die op verlies uitkwam. Zelfs iemand die op het absolute hoogtepunt van de dotcom-zeepbel in maart 2000 kocht, vlak voor een daling van meer dan 40% en een financiële crisis zeven jaar later, stond twintig jaar later weer in de plus. Die cijfers komen uit onze Backtest-tool.

Voor een pensioen zijn dat geruststellende kansen, want een pensioen is de langste periode waarvoor de meeste mensen ooit beleggen. In ons artikel over welk rendement je van een ETF kunt verwachten, gaan we dieper in op de historische cijfers, en in onze gids over indexbeleggen leggen we uit waarom één brede index hiervoor prima werkt.

Is €500.000 genoeg om in België van te leven als je met pensioen gaat?

Met €500.000 krijg je bij een opnamepercentage van 2,75% ongeveer €1.146 per maand, of €1.250 per maand bij 3%. Dat is onze eigen berekening, op basis van de opnamepercentages die in dit artikel worden gebruikt.

Of dat genoeg is, hangt af van wat er nog bij komt. Als je €500.000 optelt bij een staatspensioen van zo’n €1.500 netto per maand, kom je uit op ongeveer €2.650 tot €2.750 per maand voor de rest van je leven. Dat is een comfortabel pensioen voor iemand zonder hypotheek en met bescheiden uitgaven, maar het ligt ruim onder de €4.000 per maand. Als € 4.000 je doel is, ben je met € 500.000 al ongeveer tweederde van de weg daar naartoe.

Het is handig om €500.000 te zien als een mijlpaal in plaats van als de eindstreep. Als je dit bedrag op je 66e wilt halen, kost dat vanaf je 35e zo’n €380 per maand, uitgaande van hetzelfde nominale rendement van 7%. Dat is dus prima haalbaar voor iemand die in de dertig begint.

Conclusie

Het praktische antwoord op de vraag hoeveel je voor je pensioen moet inleggen, is een maandelijks bedrag, en dat bereken je door af te trekken. Schrijf op wat je wilt uitgeven, trek daar je staatspensioen, bedrijfspensioen en pensioenspaargeld vanaf, en reken het jaarlijkse tekort om naar kapitaal tegen een opnametarief waarmee je je nog steeds op je gemak zou voelen als je in oktober 2000 met pensioen zou gaan. Voor een maandelijks tekort van € 1.600 komt dat neer op ongeveer € 700.000, wat neerkomt op zo’n € 250 per maand vanaf je 25e of € 1.230 per maand vanaf je 45e.

Wat het de moeite waard maakt om dit nu te doen, is dat je maar over één van de vier pijlers zelf kunt beslissen. Het staatspensioen wordt geïndexeerd, wat ervoor zorgt dat je niet armer wordt in plaats van je rijker te maken, en het staat onder grote demografische druk. Je bedrijfspensioen is grotendeels een beslissing van je werkgever, en de mediaan ligt ver onder het gemiddelde. Je pensioenspaargeld is gemaximeerd op € 1.350 per jaar. De vierde pijler is de enige waarbij je zelf elke maand bepaalt hoeveel je inlegt.

Kies dus een maandelijks bedrag en ga aan de slag. Het hoeft niet voor altijd het juiste bedrag te zijn, want het verhogen ervan telkens als je inkomen stijgt, doet het meeste werk al voor je, en met Curvo kun je een maandelijks beleggingsplan opzetten en het bedrag aanpassen wanneer je maar wilt. Gisteren was de beste dag om te beginnen. Vandaag is de op één na beste.